Archive for oktober, 2009
Stokpaardje
Het is altijd zo leuk om een speech te houden over je vak. Gisteravond mocht ik een kort verhaal houden over de vormgeving van een bundel, die ik een tijd terug heb gedaan. Tijdens een presentatie. Het is een deels persoonlijk, deels vakinhoudelijk verhaal geworden:
“Er is een gezegde, dat je nooit met je vrienden een zakelijke relatie aan moet gaan, maar dat je wel van je klanten je vrienden kunt maken!
Ingo en ik kennen elkaar al meer dan 20 jaar, maar in het begin was dat puur zakelijk. Hij werkte bij een pr-bureau, dat mij als grafisch vormgever inhuurde. Natuurlijk heb je met je klanten wel eens gesprekken over privé-zaken, dus ik wist toen ook al dat hij gedichten schreef. En dat ik zijn bundel – die er natuurlijk beslist moest komen – wel wilde vormgeven.
In de loop van de tijd is ons zakelijk contact meer vriendschappelijk geworden. En is van ons alle twee de persoonlijke ontwikkeling sterker op 2 sporen gekomen. Beiden zijn we nog in ons ‘eerste’ vak bezig, Ingo bij een ander bedrijf dan het pr-bureau en ik in mijn eigen ontwerpstudio. Maar beiden besteden we nu ook veel van onze tijd en energie aan de Kunsten. Dat Ingo dicht weet u, en ik ben naast ontwerper beeldend kunstenaar. Het leuke is dat we elkaar wederzijds inspireren. Zo staat Ingo mede aan de wieg van mijn salonmiddagen en was hij een van de deelnemers aan mijn ‘Waterproef’ in 2006.
Ingo heeft daar speciaal gedichten voor gemaakt, ik heb die vormgegeven in het eerste bundeltje (eigenlijk een nulnummer!). En ik heb een van zijn gedichten (Madonna in Antwerpen) gebruikt om een keramisch boek mee te maken.
Inspiratie
Wat vervolgens de prikkel voor Ingo was om zijn eerste bundel uit te geven. “Op de huid van de ziel”. Zijn opdracht aan mij was: simpel, simpel, simpel! Dus moest ik mijn ontwerpdrift beteugelen en kon ik weinig doen met een verbeelding van de titel. Het omslag was dan ook in eerste instantie effen blauw. En hier kwam de techniek mij te hulp! Omdat de oplage klein was, kozen we voor digitaal drukwerk, maar dat heeft zijn beperkingen. Effen blauw zou volgens de drukker heel lelijk worden.
Ik kreeg op geheel onverdachte wijze mijn zin! Ik heb toen als contrast met het gevoelige en ontastbare van de begrippen huid en ziel een betonstenen structuur gekozen, en die natuurlijk blauw gemaakt, om Ingo ook een beetje zijn zin te geven. Zo zijn grenzen niet altijd een probleem en kunnen daar leuke creatieve dingen uit voortkomen.
En omdat er op de eerste bundel een foto is gebruikt, kon dat op de tweede ook. Ingo had een aantal foto’s gegeven, die hiervoor gebruikt konden worden. En ik heb toen de foto genomen waar de begrippen dag en niet blijvend verbeeld werden door de schaduw en het hooi-achtige gras. Aangezet door de groene tinten.
Iets over de maat en het binnenwerk
Sinds de oorlog en de daarmee gepaard gaande zuinigheid, zijn papierformaten heel erg gestandaardiseerd. Tijdschriften, brieven, rapporten, jaarverslagen, bijna alles is gebaseerd op de Deutsche Industrie Norm. De verhouding is 1:1,4 (of 1:wortel2). Over het algemeen ervaren we deze verhouding als plomp. Voor studieboeken en tijdschriften met veel tekst en plaatjes is dat niet erg. Maar voor de smalle gedichten van Ingo minder geschikt.
Een rankere verhouding, die wij gewoonlijk als aangenamer ervaren, is de Gulden Snede, 1:1,62.
De Gulden Snede is oorspronkelijk uitsluitend een wiskundig begrip, voor het eerst genoemd door Euclides. Er zijn wel renaissance-bouwwerken die volgens het Gulden Snede systeem zijn gebouwd, maar dat is een constatering achteraf. Als esthetische verhouding wordt het pas vanaf de 19e eeuw echt gehanteerd. Bekend is bv de Modulor van Le Corbusier.
Als je Het boek over het maken van boeken van Huib van Krimpen leest, dan zie je daar allerlei systemen in om een lay-out te maken. Op het plaatje hieronder ziet u een veelgebruikte. Ook hier dicteert de vorm van de inhoud uiteindelijk de vorm van de bladspiegel. Omdat Ingo’s gedichten smal zijn, leek een smalle binnenmarge mij niet goed. Vandaar dat ik het heel eigenwijs heb omgedraaid. Wel is ook hier de Gulden Snede gebruikt om de maten van de marges te bepalen.
Ten slotte de gekozen letter
Uit onderzoeken naar lezen van papier blijkt dat een letter met schreven minder vermoeiend lezen is dan een letter zonder schreven. (Schreven zijn de dwarslijntjes aan letters). Meestal komt men dan bij de Times uit. Een letter uit de jaren 30 van de vorige eeuw. Uit Engeland. Aardiger was natuurlijk om een modernere letter te gebruiken, zeker als die ook nog eens van een Nederlandse ontwerper is. Vandaar dat ik de Scala van Martin Majoor heb toegepast.
Natuurlijk is er nog meer te vertellen over de letters, de grootte daarvan, de regelafstand, het papier, dat milieuvriendelijk is, en noem maar op, maar als ik eenmaal op mijn stokpaardje zit, ben ik er moeilijk van af te slaan. En u komt ten slotte voor de gedichten van Ingo.
Daarbij is het ook nog zo, dat ik mijn werk pas goed heb gedaan, als u er niets meer van merkt. Voorop staat: lezen is beleven. En als een ontwerp te dwingend is, lees je niet meer. Dus ik laat het hierbij.”
Kunsthalt
Soms, in de herfst, gaat het mij niet zo goed. Zo ook ongeveer 15 jaar geleden op een zaterdag. Mijn ega wilde proberen mij op te beuren en stelde voor naar de nieuwe Kunsthal in Rotterdam te gaan. Het was koud, ik had eigenlijk niet zoveel zin, en de wet van Murphy loerde om de hoek. Weer buiten dacht ik, we hadden beter niet kunnen gaan. Nu denk ik, dan had ik geen leuk verhaal gehad.
Als je aan komt lopen, ziet het gebouw er prachtig uit. Schijn bedriegt, er zitten een paar tandenknarsende ongelukkigheidjes in.
1. Hoe kom ik hier binnen? Als een oplichtende pijl nodig is om de ingang aan te geven, heeft de architect dan iets fout gedaan? Indertijd was die pijl er nog niet en we hadden nooit kunnen bedenken dat de ingang letterlijk IN het midden van het gebouw was. Halverwege een rolstoelvriendelijke helling.
2. Wringen. Het halletje is formaat postzegel, met één kassa. Hier moet alles langs naar binnen, maar ook weer uit! Dat is vooral leuk als er net een busgezelschap op bezoek komt.
3. Conditietraining. Ook binnen is eenzelfde rolstoelvriendelijke helling, meteen als je het museum binnenkomt, dus uitkijken dat je niet naar beneden rolt. Hoewel, je moet toch die kant uit, want daar is de garderobe (nu kluisjes, toen een balie met een garderobejuffrouw erachter).
4. Verbetert mijn humeur hiervan? Hou nog even in gedachten dat het mij niet goed ging. Dan kun je toch wat minder hebben. Scheef is een van de kernwoorden in de Kunsthal. Scheve vloeren, scheve trappen, scheve trapleuning, niet bevorderlijk voor je oriëntatievermogen.
5. Hink-stap-sprong. Ken je die trappen met treden die te breed zijn? Je kunt net niet één trede per stap nemen, maar van steeds hetzelfde been omhoog doen, krijg ik het letterlijk op mijn heupen.
(6. Intermezzo. Tegenwoordig is er een superdeluxe café. Die bewuste zaterdag ontdekten we halverwege dat er nog niets te drinken was. Er was nog geen café, de museumwinkel was dicht.)
7. Ik heb hoogtevrees. Soms vermaan ik mezelf niet flauw te doen, maar ik kan het echt niet helpen. Een hoge flat waar een flinke, stenen borstwering zit, kan ik tegenwoordig net aan, maar een doorzichtige vloer, of die nu van glas of van een metalen rooster is? Buikpijn!
8. De klap op de vuurpijl. Als je niet zou weten dat ik goudeerlijk ben, zou je denken dat ik het volgende detail heb verzonnen. Niets is minder waar. Narrig en nog chagrijniger dan toen ik binnenkwam, wilde ik na een uur mijn jas terughebben van de garderobejuffrouw. Ik had nr 99 en zag mijn jas aan het einde van de rij hangen. De -waarschijnlijk niet zo snuggere- dame hield het labeltje op zijn kop en las dus 66. Waar geen jas hing. Wilde ze mijn eigen jas toch niet meegeven!!


